Bouwtermen
A
Aanbranden: behandelen van het oppervlak van een vloer of wand met een dunne cementpap om een goede hechting te krijgen met de specielaag.
Aanpasbaar bouwen: een huis zo ontwerpen dat het later op relatief eenvoudige en goedkope wijze is aan te passen.
Aantrede: de horizontale afstand van de voorkant van een traptrede tot de voorkant van de volgende trede.
Aardlekschakelaar: schakelaar die de stroom automatisch uitschakelt bij gebreken aan in gebruik zijnde elektrische apparaten.
Ademen: het doorlaten van waterdamp van een materiaal.
Afreien: het egaliseren van een wand of vloer door middel van een rechte lat.
Afkrijten: aantasting van een toplaag van verf waardoor die poederachtig wordt.
Afschot: schuin verloop van vloeren, daken, leidingen, goten, enz. om water snel af te kunnen voeren.
Afwerkvloer: vaste, tijdens de bouw gemaakte afwerklaag op de constructievloer, meestal bestaande uit een zandcementlaag. Niet te verwarren met de vloerafwerking: parket, linoleum, tapijt, tegels, enz.
Alkydverf: dekkende verf met terpentine als oplosmiddel en alkydharsen als bindmiddel.
Anhydrietvloer: gietvloer waarbij een bindmiddel op basis van calciumsulfaat is gebruikt in plaats van cement.
Armatuur: geheel van lampfitting, kap en elektrische aansluiting.
B
B-2 blokken: in vele maten leverbare lichte betonblokken.
Balklaag: stelsel van horizontale balken ter ondersteuning van vloerplanken of -platen, zolderverdiepingen enz.
Bebording: planken, dakbeschot of ander materiaal onder de dakbedekking.
Behakken: bewerken van een steenachtige ondergrond door hakken.
Berapen: het vlak maken van gemetselde muren met mortel.
Beschieten: het bekleden van een wand, bijvoorbeeld met schroten.
Bestek: volledige omschrijving van een te maken bouwwerk, inclusief de materiaalkeuze, de uitvoeringsvoorwaarden, de opleveringsdatum en de prijs met alle voorwaarden en voorschriften die daarbij van belang zijn. Het bestek kan met de bestektekeningen de basis vormen van het contract tussen opdrachtgever en aannemer.
Betonrot: schade aan betonconstructies, vaak door slechte uitvoering, invloed van het milieu of gebrek aan onderhoud. De roestende wapening drukt het beton uit elkaar.
Betonskeletbouw: draagconstructie (vloeren, wanden en kolommen) is uitgevoerd in gewapend beton. Het skelet wordt ingevuld met gevelvulling en wanden van niet dragend materiaal.
Bimsbeton: lichte betonblokken voor scheidingswanden.
Bint: zware balk.
Bitumineus: teerachtig. Heet teer dat wordt gebruikt bij het waterdicht maken van platte daken.
Bladlood: rollen lood die gebruikt worden als waterkeringen in muren en boven kozijnen.
Blauw gepleisterd: glad pleisterwerk van gips, bestemd voor verdere afwerking met bijvoorbeeld behang. Boeiboord: betimmering of beplating langs een dakrand of goot. Boerenvlecht: metselwerk dat topgevels afdekt.
Borstwering: muur onder een raam of dichte onderkant van een deur met glas.
Bouwtechnische eigenschappen: de eigenschappen die bepalend zijn voor de gedragingen van een materiaal wat betreft de sterkte, de stijfheid enz.
Bovenlicht: een raampje dat open kan, of vast gescheiden glas dat zicht boven een deur of raamkozijn bevindt.
Bouwmuur: muur tussen twee huizen waar de vloeren op of in rusten.
Bouwvak: onder het woord bouwvak vallen alle beroepen die bij de realisering van een bouwproject komen kijken.
Breedplaatvloer: betonplaten voor verdiepingsvloeren.
Buigijzer: instrument waarmee de loodgieter koperen buizen buigt.
C
Cascowoning: huis dat niet geheel afgebouwd wordt afgeleverd. De koper zorgt zelf voor installaties, afwerking, badkamer en dergelijke.
Cassetevloer: vloer van gewapend beton met vakkenstructuur.
Cellenbeton: gasbeton
Chaperonepan: geknikte dakpan bovenaan een lessenaarsdak
Condensatie: overgaan van waterdamp in water
Condensprofiel: gootvormig profiel van aluminium aan de onderzijde van beglazing om condenswater op te vangen.
Console: vooruitstekende, aan één kant ingeklemde balk die bijvoorbeeld galerijvloeren of balkons ondersteunt.
Constructievloer: dragende vloer.
Convectorput: verzonken put met verwarmingselement.
D
Dagkant: de binnenbegrenzing van een opening. In een gevel wordt het ook wel negge of kantelaaf genoemd.
Dagmaat: de afmetingen tussen de binnenkanten van een frame, deur, raam enz.
Dakbeschot: winddichte betimmering of beplanting, al dan niet voorzien van isolatie. Hierop rust de dakbedekking of de pannenconstructie.
Dakdoorvoer: waterdichte passende plaat met pijp in de dakbedekking voor de ventilatie- en rookkanalen.
Dakkapel: verticaal raamkozijn in een schuin dak, voorzien van een eigen dak en van zijwanden ('wangen').
Daklijst: geprofileerde lijst langs de dakrand ter versiering van de gevel.
Dakopstand: verhoogde rand rondom een plat dak.
Dakvoet: onderbeëindiging van een schuin dak.
Dekvloer: vlakke afwerklaag van een vloer, meestal 3 tot 5 cm, van zand-cementspecie of anhydriet. Hierop wordt de vloerbedekking gelegd.
Delen: houten planken.
Dilatatievoeg: voeg tussen twee vlakken van een gebouw of constructie, die het mogelijk maakt dat die delen onafhankelijk van elkaar kunnen werken. Dit voorkomt scheuren. De voeg wordt meestal met een elastische kit gevuld.
Dorpel: horizontale regel in een deur- of raamkozijn.
Draagvloer: constructievloer die is berekend op het eigen gewicht en op de belasting van de erop rustende wanden, het meubilair, enz.
Drager-inbouwsysteem: methode waarbij de indeling van een woning los van het karkas wordt ontworpen en gerealiseerd. De gevels en dragende wanden worden zo ontworpen dat verschillende indelingen mogelijk zijn. Zo is een betere afstemming op de behoeften van de bewoners mogelijk.
Drijsteen: lichtgewicht, grijze korrelige steen voor niet dragende binnenwanden.
Drieklezoor: driekwart metselsteen.
Dubo: staat voor duurzaam bouwen. Een vorm van bouwen waarbij het milieu zoveel mogelijk ontlast wordt door het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen.
Duoblok: closet waarbij reservoir en pot direct op elkaar zijn gemonteerd.
E
Ezelsrug: in omgekeerde V-vorm gemetselde bovenkant van een tuinmuur
F
Fijn schuurwerk: afwerklaag voor wanden en plafonds, bestaande uit kalk, gips en zilverzand.
G
Geveluitbloei: witte uitslag op metselwerk dat nat is geweest. Is niet schadelijk voor het metselwerk en is meestal tijdelijk.
Gevo-steen: kalkzandsteen voor schoon metselwerk met ruw, grijswit oppervlak.
Gietbouw: de wanden van een gebouw worden gemaakt door beton in een bekisting te storten. Ook de vloeren worden in het werk gestort.
Gietvloer: zichzelf uitvlakkende vloerafwerking. De dun vloeibare mortel wordt over de vloer uitgegoten.
Gording: horizontale balk die een hellend dakbeschot draagt.
Gres: aardewerk van ijzeraarde, vaak geglazuurd. Veel toegepast in tegels en buizen.
Grof schuurwerk: afwerklaag van een specie van cement en metselzand.
Grondkabel: elektrakabel in de grond met een gevlochten mantel. Deze moet zo worden gelegd dat hij niet met een schop kan worden beschadigd.
Gevosteen: bepaald soort kalkzandsteen voor schoon metselwerk, met ruw grijswit oppervlak.
Gootbeugel: een beugel waar de dakgoot in steunt.
GG-delen: geschaafde en geploegde delen: d.w.z. geschaafde planken met messing en groef.
Granol: sterk pleisterwerk van meer of minder grove structuur.
Grijs-watercircuit: een milieuvriendelijke manier van watergebruik waarbij regenwater wordt opgevangen in grote bakken. Via een apart leidingnet kan dit water bijvoorbeeld gebruikt worden voor het doorspoelen van het toilet en het besproeien van de tuin.
H
Halfsteensmuur: muur ter dikte van de breedte van een metselsteen (circa 10 cm)
Halfsteensverband: metselwijze waarbij de stenen een halve steen per laag verspringen.
Handvormsteen: baksteen die met de hand is gemaakt en daardoor een onregelmatig uiterlijk heeft en ook duurder is dan een machinaal gemaakte steen.
Hanebalk: horizontale balk in een spant, direct onder het dak.
Hemelwaterafvoer: in de bouw veel gebruikte term voor regenpijp en alles wat daarbij hoort.
Hang- en sluitwerk: scharnieren en andere draaimiddelen voor ramen, deuren, deurkrukken, raamsluitingen enz.
Hart-op-hart: de afstand tussen bijvoorbeeld balken, gemeten vanuit het midden.
Hengst: een in de lengte doorgehakte steen.
Hydrofoor: persinstallatie bij hogere gebouwen om ook op grotere hoogte voldoende waterdruk te krijgen.
I
Inwassen: het vullen van de voegen tussen vloer- of wandtegels.
Impregneermiddel: vloeistof die diep in het hout doordringt en het beschermt tegen aantasting door houtrot of houtworm.
K
Kalf: horizontale regel in een kozijn (tussendorpel).
Kanaalplaatvloer: een vloer van betonnen vloerelementen.
Kiezelbak: afvoerput op een plat dak.
Kim: de aansluiting tussen vloer en wandconstructie bij kelders.
Klampmuur: voorzetmuur van stenen die op de smalle kant zijn gemetseld. De muur is 5-7 cm dik.
Klapzand: het zand dat onder de bestrating van tegels en straatwerk wordt gebruikt.
Klepraam: naar buiten draaiend raam met de scharnieren aan de bovenkant.
Klezoor: een kwart metselsteen.
Klezorenverband: metselwijze waarbij de stenen een kwartsteen per laag verspringen.
Klimlijn: denkbeeldige lijn over de treden van een trap.
Knelfitting of -koppeling: koppelstuk in een (water)leiding dat door aandraaien van een wartelmoer waterdicht afsluit. Solderen is dus niet nodig
Koof: constructie om gordijnen of verlichting verdekt te bevestigen.
Kop: een halve metselsteen.
Kopgevel: de voorgevel van een huis.
Koud dak: dak waarbij de isolatie zich aan de binnenkant bevindt.
Koudebrug: deel van een constructie waarbij de warmteoverdracht van binnen naar buiten makkelijker gaat dan elders. Bijvoorbeeld door een prop metselspecie die in de spouwmuur is gevallen.
Kraal: 1. buitenkant van een zinken goot. 2. randprofilering, meestal driekwartrond.
K-waarde: omgekeerde R-waarde. Geeft aan in welke mate warmte door een gevel kan verdwijnen. Hoe lager de K-waarde hoe beter.
L
Latei: draagbalk van staalsteen of beton boven een opening in de muur.
Lessenaarsdak: schuindak, hellend in één vlak.
Lintvoeg: horizontale, doorgaande specievoeg in metselwerk.
Loket: loodconstructie om een schuin dak waterdicht aan te sluiten op een schoorsteen of een hoger opgaande muur.
Loodslabben: stroken lood voor het maken van waterdichte aansluitingen tussen constructies.
Loopslot: slot dat alleen met een kruk bediend kan worden en niet op slot kan.
M
Maaiveld: de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.
Mastgoot: goot met een halfcircelvormige doorsnede.
Mechanische ventilatie: electrische afzuiging van natte ruimtes en open keukens.
Messing en groef: planken met messing en groef hebben aan de ene kant een versmalling en aan de andere kant een groef. Daardoor passen ze in elkaar.
Mortel: mengsel van cement, zand en eventuele andere toevoegingen.
Muurplaat: horizontale balk bovenop een muur onderaan een hellend dak.
N
Nok: horizontale aansluiting tussen twee hellende dakvlakken.
O
Onderslagbalk: als de overspanning tussen twee muren te groot is, wordt de balklaag halverwege ondersteund door een dwarsbalk.
Ontstoppingsstuk: een afsluitbare opening in de riolering die dient om eventuele verstoppingen te kunnen verhelpen.
Opgaand metselwerk: metselwerk waartegen een hellend of plat dak aansluit.
Optrede: de hoogte tussen twee opeenvolgende traptreden.
Overstek: het overstekende gedeelte van een dak of gootconstructie.
P
Panlat: horizontale dunne lat waaraan de dakpannen worden gehangen.
Penant: gemetseld, uitspringend deel van een muurvlak ter versteviging van de muur of om het gewicht van een balk te dragen.
Pielmannetje: afstandslatje tussen betonbekistingen.
Poer: verzwaarde voet van een kolom of balk.
Polystyreen (PS): piepschuim of Tempex.
PUR: polyurethaanschuim. Hard isolatie schuim.
R
Raamboom: hendel om een raam klemmend te sluiten.
Rabat-delen: horizontale planken met een groef en een kant messing, die voor gevelbekleding gebruikt worden.
Rachels: horizontale houten latten om plafonds aan te bevestigen.
Regel: balkje van circa 4,5 bij 6,5 cm.
Roeden: kleine latjes die een glasvlak onderverdelen.
Rollaag: band verticaal geplaatste metselsteen, vaak boven een raamkozijn.
Rooilijn: in het bestemmingsplan vastelegde lijn waar de bebouwing niet overheen mag.
R-waarde: het getal dat de warmteweerstand van een gevel aangeeft. Hoe hoger de R-waarde, hoe beter.
S
Scheluw: een afwijking in bijvoorbeeld hout, dat over de lengte is verwrongen en of kromgetrokken.
Schoon metselwerk: metselwerk dat in het zicht blijft en dus uit onbeschadigde stenen moet bestaan en zorgvuldig moet worden geveogd.
Schoot: het beweegbare deel van het slot dat in de slotvanger van het kozijn valt.
Schroten: smalle GG-delen.
Spouwmuur: muur opgebouwd uit twee muren met daartussen een ruimte van 3 tot 6 cm. De tussenruimte wordt spouw genoemd.
Sifon: stankafsluiter bij de aansluiting op de riolering, in de vorm van een vloerputje in de douche of een zwanehals bij een wastafel.
Spijkerlatten: latten met kleine spijekrtjes waarop tapijt langs de wanden wordt vastgezet.
Split: natuursteen in kleine scherpe stukjes.
Steensmuur: muur ter dikte van de lengte van een metselsteen (circa 20 cm).
Standleiding: verticale afvoerleiding binnenshuis.
Steektrap: rechte trap zonder bochten of bordessen.
Stelpost: een onderdeel van de begroting dat nog niet vast te stellen is, maar waarvoor in afwachting van de werkelijke kosten wel een geschat bedrag wordt opgenomen.
Stellen: in de juiste stand brengen, bijvoorbeeld van deuren of kozijnen.
Stempelen: tijdelijk ondersteunen tijdens de bouw.
Steunbeer: vanaf de fundering uitgemetselde versteviging van een muur.
Strek: een hele metselsteen.
Stijl- en regelwerk: raamwerk van verticale en horizontale balkjes om plaatmateriaal te bevestigen.
Stootbord: verticaal schot tussen twee traptreden.
Strijkbalk: eerste of laatste balk in een balklaag, evenwijdig aan de muur.
T
Taatsraam: raam dat draait om een verticale as.
Te lood: loodrecht.
Tengel: dunne houten lat.
Toog: boog in een opening in een muur.
Trapboom: brede plank aan de zijkant van een trap die de treden draagt.
Treefje: metalen onderzetter voor pannen.
Tochtstrip: een strip die in kozijnen en bij ramen en deuren als isolatiemateriaal geplaatst kan worden.
Topgevel: driehoek metselwerk van de kopgevel.
Trasraam: waterdichte strook metselwerk in buitenmuur tegen optrekkend vocht.
V
Valspecie: overtollige specie die bij zorgvuldig metselen in de spouw valt.
Verholen goot: goot onder de pannen ter weerszijden van bijvoorbeeld een dakkapel.
Verstek: schuin afgezaagde delen hout die samen een rechte hoek vormen.
Vide: weggelaten deel van een verdiepingsvloer. Geeft ruimtelijk effect.
Vlinderen: het machinaal afwerken van de bovenlaag van een betonvloer.
Vogelschroot: plank die zorgt dat er geen vogels onder de dakpannen kunnen metselen.
Voegwerk: de afwerking van voegen tussen metselstenen.
Vorst(pan): halfronde pan waarmee de nok van een dak wordt afgedekt.
Vrije vloeroppervlakte: vloer met een vrije hoogte van minstens 210 cm erboven.
W
Wang: zijkant van een dakkapel.
Wapening: versteviging in beton of ander steenachtig materiaal, meestal van ijzer.
Waterkering: opstaande rand van aanrechtblad die voorkomt dat water langs de kastjes loopt.
Weldorpel: dorpel met ingeschaafd hol, om afdruipend regenwater te keren.
Werkbare dagen: dagen waarop het weer van dien aard is dat de bouwwerkzaamheden kunnen worden voortgezet. Bij het maken van een bouwplanning wordt uitgegaan van 180 werkbare dagen per jaar.
Werktekening: een technische tekening gemaakt door de architect of aannemer waarop de plannen van de bouw of verbouwing tot in detail zijn uitgevoerd.
Windveer: hoekvormige betimmering langs de schuine beëindiging van een topgevel. Dekt de laatste rij pannen af om afwaaien te voorkomen.
Wolfseind: afgeschuind dakvlak bovenaan een topgevel.
Z
Zadeldak: dak bestaande uit twee dakvlakken die in een punt op elkaar aansluiten.
Zakgoot: de horizontale goot tussen twee dakschilden die naar beneden in een V-vorm op elkaar aansluiten.
Zinkput: put gevuld met waterdoorlatend materiaal om het water te laten zakken door slecht doordringbare grondlagen.
Zwaluwstaartplaat: gevouwen metalen plaat die als ondergrond dient bij het aanbrengen van een betonvloer op een houten balklaag.




