Brandveiligheid
De publiekrechtelijke eisen ten aanzien van de brandveiligheid zijn te vinden in vier wetten en de daar aan verbonden AmvB’s en uitvoeringsregelingen:
- de Wet Milieubeheer, voor wat betreft de omgeving van een gebouw of inrichting;
- de Woningwet, voor wat betreft het brandveilig bouwen (Bouwbesluit) en brandveilig gebruiken (Bouwverordening) van bouwwerken en gebouwen;
- de Brandweerwet, voor wat betreft de inzet van de brandweer;
- de Arbowet, voor wat betreft de brandveiligheid, gerelateerd aan het arbeids- of productieproces.
Van deze vier wetten is de Woningwet de belangrijkste wanneer het gaat om de brandveiligheid van het (ver)bouwen van bouwwerken en de bouwkundige toestand van gebouwen.
De Woningwet stuurt ondermeer het Bouwbesluit en de (Model)Bouwverordening aan. In deze twee documenten wordt het brandveilig (ver)bouwen en gebruiken van gebouwen geregeld binnen gedefinieerde randvoorwaarden. De onderverdeling houdt in dat de bouwtechnische eisen voor een bouwwerk of gebouw zijn ondergebracht in het Bouwbesluit en de gebruikstechnische eisen in de gemeentelijke bouwverordeningen. Bij de nieuwbouw of renovatie van gebouwen speelt daarom het Bouwbesluit een centrale rol. Het Bouwbesluit beschrijft de bouwtechnische eisen voor gebouwen:
• tot 70 meter boven het aansluitende terrein;
• tot 8 meter onder het aansluitende terrein.
Wanneer er hoger of dieper gebouwd gaat worden moet worden aangetoond dat er een ten minste gelijke mate van brandveiligheid gerealiseerd wordt. Per situatie moet dit besproken worden met de gemeente, in de praktijk zal dit de afdeling preventie van de brandweer zijn.
Eisen voor brandveiligheid
Vaak wordt bij het ontwerpen en verbouwen van gebouwen alleen gedacht aan de eisen voor brandveiligheid uit het Bouwbesluit. In de Bouwverordening worden echter voor sommige categorieën gebouwen aanvullende niet-bouwkundige eisen gesteld, bijvoorbeeld blusmiddelen en een ontruimingsalarmering. Afhankelijk van het soort gebouw kan ook een gebruiksvergunning nodig zijn, waaruit aanvullende eisen volgen. Vervolgens kan een verzekeringsmaatschappij eisen stellen voor acceptatie of premiebeperking.
Het is van belang om zo vroeg mogelijk in een ontwerp of bouwproces antwoord te krijgen op de vragen:
• welk deel van de regelgeving is van toepassing;
• zijn er richtlijnen waarmee rekening gehouden moet worden; en
• welke vergunningen zijn vereist;
• welke risico’s zijn voor de eigenaar niet acceptabel;
• welke voordelen kan de verzekeraar bieden.
Aan de hand hiervan kan beoordeeld worden welke mate van brandveiligheid er vereist is. Daarbij staat voorop dat een solide basis voor brandveiligheid wordt bereikt met een gebouw of ontwerp dat gerealiseerd wordt uit zo veel mogelijk onbrandbare materialen.
Bouwbesluit
De regelgeving in het Bouwbesluit rust grofweg op de volgende pijlers:
• Beperking van de kans op brand;
• In stand houden van hoofddraagconstructie en vluchtroutes;
• Beheersing van brand;
• Beheersing van rook en vluchtveiligheid.
De beperking van de kans op brand is slechts in beperkte mate met bouwtechnische maatregelen te garanderen. In principe kan door de toepassing van onbrandbare materialen voorkomen worden dat het gebouw snel en eenvoudig van buitenaf kan worden aangestoken. Daarnaast kan door toepassing van veilige materialen worden voorkomen dat het gebouw als brandbom gaat fungeren en personen geen kans meer hebben om te ontvluchten. Helaas houdt de regelgever hier nog te weinig rekening mee. Het gaat hier vooral om de inrichting en het gebruik, zodat wat dit betreft het aantal artikelen in het Bouwbesluit beperkt is.
De eerste stap : Voorkomen van brand = toepassing van veilige materialen!
Het in stand houden van de hoofddraagconstructie (om voortschrijdende instorting van het bouwwerk of het gebouw te voorkomen) en vluchtroutes (welke gedurende 30 minuten bruikbaar moeten blijven) is met relatief eenvoudige eisen te waarborgen. Het gaat hier om eisen ten aanzien van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. Deze hebben echter ook een relatie met brandbeheersing (namelijk het in stand houden van de brandcompartimentering) en rookbeheersing (namelijk het in stand houden van de rookcompartimentering).
Door het gebouw in te delen in brand- en rookcompartimenten wordt invulling gegeven aan brand- en rookbeheersing.
Bouwwerk en bouwdeelprestaties
Bij het ontwerpen van een gebouw of het beoordelen van een gebouwontwerp aan de brandveiligheid eisen uit het Bouwbesluit komen de volgende zaken aan de orde:
• Indeling in brandcompartimenten en, afhankelijk van de gebouwfunctie, subbrandcompartimenten en rookvrije of brand- en rookvrije vluchtroutes;
• Inrichting en uitvoering van vluchtroutes;
• Constructieve veiligheid: brandwerendheid m.b.t. bezwijken;
• Beperking van het ontstaan van brand, eisen aan opstelplaatsen, rookkanalen en stookplaatsen en de specifieke eisen aan de brandveiligheid van daken;
• Beperking van de uitbreiding van brand, de WBDBO-eisen;
• Beperking van de verspreiding van rook, de WRD-eisen;
• Beperking van de ontwikkeling van brand, eisen aan de brandvoortplantingsklassen van bouwmaterialen;
• Beperking van de ontwikkeling van rook, eisen aan de rookdichtheid van materialen;
• Een aantal installatietechnische voorzieningen, zoals droge blusleidingen, brandweerliften en noodverlichting;
• Specifiek voor woningen en woongebouwen: de toepassing van rookmelders en de eisen aan
veiligheidstrappenhuizen.
Het voert te ver om alle aspecten hiervan volledig te behandelen. Volstaan wordt met het geven van enkele hoofdlijnen en de toelichting van een aantal begrippen.
WBDBO
Het Bouwbesluit hanteert het begrip: Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag (WBDBO). De brandwerendheid van een constructieonderdeel behoeft niet altijd gelijk te zijn aan de WBDBO. De WBDBO wordt bepaald volgens NEN 6068. De WBDBO kan soms gerealiseerd worden in de afstand tussen twee brandcompartimenten.
Voor inwendige brandcompartimentscheidingen (wanden) is het uiteraard niet mogelijk om de WBDBO te behalen in de afstandsbijdrage. Hierbij geldt dat de brandwerendheideis gelijk is aan de WBDBO-eis.
De WBDBO moet altijd bekeken worden in relatie met de hoofddraagconstructie. Want wanneer deze bezwijkt, begeven ook brandwerende scheidingen het, zoals gevels en brandwanden. Voor daken betekent dit altijd dat de draagconstructie een gelijke mate van brandwerendheid moet hebben als voor het dak vereist is. Bij gevels geldt dit in het algemeen ook, omdat deze niet zelfstandig stabiel zijn. Bij brandwanden zijn ook oplossingen mogelijk waarbij de brandwand blijft staan ondanks het bezwijken van de naastgelegen draagconstructie. Bijvoorbeeld door het toepassen van een kantelnok. Soms kan dit bij gevels ook.
WBD en WBO
De WBDBO kan gesplitst worden in twee delen: de WBD (weerstand tegen branddoorslag) en de WBO (weerstand tegen brandoverslag). Brandoverslag vindt plaats van een ruimte naar een andere ruimte via de buitenlucht. Onder branddoorslag verstaan we alle andere branduitbreidingstrajecten.
De WBD van een gevel, dak of brandscheiding is in de praktijk de tijd dat branduitbreiding kan worden tegengehouden. Dit wordt bepaald met brandproeven volgens NEN 6069 of de nieuwe Europese brandproeven. De WBD moet indien noodzakelijk in twee richtingen worden beproefd, tenzij het gaat om volledig symmetrische constructieonderdelen. Bij gevels en daken is de beproeving van iedere zijde verschillend, te weten: van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. Bij constructies die grenzen aan de buitenlucht mag bij de beoordeling van buiten naar binnen uitgegaan worden van de gevelbrandkromme, of afgeknotte brandkromme, met een maximale
temperatuur van 659 ºC.
De WBO is de mate waarin brandoverslag wordt voorkomen. NEN 6068 geeft hiervoor een bepalingsmethode, afhankelijk van de situatie, die slechts onder voorwaarden kan worden toegepast. In de praktijk zijn deze voorwaarden daarom vaak richtinggevend voor het ontwerp. Het betreft maximale afmetingen van de brandruimte, schematisering van gevelopeningen, maximum aan gevelopeningen, toegepaste materialen in de gevel, etc. Meest bekend is de minimale afstand van 5 m tussen gevels. Daarom moet vaak een minimale afstand tot de perceelgrens worden aangehouden voor gevels waain openingen zijn opgenomen. Wanneer een constructie voldoende brandwerend is, is een kleinere afstand vanzelfsprekend wel mogelijk. Op de rekenregels van NEN 6068 zijn de rekenprogramma’s Brando en Winfire gebaseerd.
Een constructie met een WBD > 30 minuten mag bij een beoordeling van de WBO volgens NEN 6068 als ‘dicht’ worden beschouwd. Een WBD < 5 minuten is altijd een opening. constructies met een WBD tussen de 5 en 25 minuten zijn zogenaamde semi-openingen en moeten zowel als gesloten en als open worden beoordeeld. Daarnaast moeten de daken weerstand kunnen bieden aan vliegvuur. Bij deze beproeving wordt gekeken of de dakconstructie onder invloed van een brandje snel doorbrandt of dat de brand zich snel uitbreidt over het oppervlak zoals bij een rietenkap.
Brandwerendheid constructies
De eisen ten aanzien van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken hebben betrekking op de constructie van een rookvrije vluchtroute en de hoofddraagconstructie. De hoofddraagconstructie kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het casco van het gebouw. Het is dat deel van de constructie dat bij bezwijken leidt tot voortschrijdende instorting van een gebouw.
De eisen zijn gekoppeld aan de gebruiksfunctie en aan de hoogte van het gebouw. De hoogte wordt weergegeven door de hoogste vloer van een verblijfsgebied ten opzichte van het aansluitend terrein (in de meeste gevallen het maaiveld).
De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken kan gerealiseerd worden door maatregelen in de constructie zelf, zoals het aanpassen van de betondekking, of het bekleden van de constructie met brandwerende materialen, zoals steenwol.
Brandveiligheid van materialen
In het Bouwbesluit wordt slechts op onderdelen een directe eis gesteld aan het brandgedrag van materialen. Een voorbeeld is de eis aan de brandvoortplantingsklasse volgens NEN 6065 van de buitenoppervlakte van gevelmaterialen. In de meeste gevallen worden eisen gesteld aan constructies, die samengesteld zijn uit verschillende materialen, of aan de vuurbelasting van een bepaald gebouw of bouwdeel. Om deze grootheden te kunnen bepalen zijn verschillende eigen- schappen van materialen van belang:
• De (on)brandbaarheid (het ontstaan van brand);
• De bijdrage aan de brandvoortplanting (de uitbreiding van brand);
• Rookproductie;
• Druppelvorming.
Deze eigenschappen, soms nog nader onderverdeeld, werden tot voor kort bepaald per land en beoordeeld volgens eigen beproevingsmethoden. In het voorjaar van 2003 is hierin verandering gekomen door de introductie van de nieuwe geharmoniseerde Europese regelgeving op dit gebied, de Euro-brandklassen.
Overzicht van normen
In Nederland gelden momenteel onder meer de volgende normen ten aanzien van brandveiligheid:
- Bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van vloeren
- Bepaling van de weerstand tegen ontstaan van brand in stookplaatsen
- Bepaling van de brandgevaarlijkheid van daken
- Bepaling van de onbrandbaarheid van materialen (wordt NEN EN ISO 1182)
- Bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van wanden en plafond (wordt NEN EN 13823)
- Bepaling van de rookproductie van materialen (wordt NEN EN 13823)
- Bepaling van de WBDBO tussen ruimten
- Bepaling van de brandwerendheid van constructieonderdelen
- Bepaling van de vuurbelasting
Tabel: Nederlandse normen brandveiligheid
De 7 Euro-brandklassen
Met ingang van 1 maart 2003 is voor de gehele Europese Unie, met de invoering van nieuwe Euro-brandklassen, een helder classificatiesysteem ontwikkeld voor bouwproducten. Voorheen was er een grote diversiteit aan regels rondom gehanteerde methoden voor het testen van brandprestaties van bouwproducten. De regelgeving kan nog wel verschillen tussen Europese landen, maar de klassen en testmethoden zijn nu overal gelijk. Dit maakt een objectief vergelijk mogelijk. Een isolatieplaat uit Portugal is namelijk op dezelfde wijze getest als een isolatieplaat uit Finland,
ongeacht het testinstituut. Het testrapport is de basis waarop door een Europees erkend instituut een classificatiedocument kan worden afgegeven.
Met de nieuwe methode kunnen alle producten op dezelfde manier worden beproefd op brandgedrag. Het gaat om nieuwe brandproeven die een sterkere relatie hebben met de praktijk en meer informatie geven over het werkelijke brandgedrag van producten. Dit betekent dat geaccepteerde producten die sinds jaar en dag in een land werden toegepast, nu via nieuwe proeven opnieuw hun kwaliteiten moeten aantonen.
Er zijn vanaf nu zeven nieuwe Euro-brandklassen: A1, A2, B, C, D, E en F. Het veiligheidsniveau is niet in ieder land gelijk. Elke lidstaat mag zelf in zijn regelgeving bepalen aan welke eisen in een bepaalde toepassing moet worden voldaan, ofwel welke brandklasse in een bepaalde toepassing vereist wordt.
De A1 klasse is de hoogste en daarmee veiligste klasse. Als basis voor het nieuwe brandklassensysteem geldt dat het beste product geen enkele bijdrage mag leveren aan een brand. Een onbrandbaar product hoort dus thuis in de hoogste klasse. Een product dat zeer snel vlam vat en snel verbrandt met veel hitte-ontwikkeling, dus het meest brandbare product, komt in de laagste klasse (F).
Bij de bepaling van het brandgedrag van bouwproducten is gekeken naar onderstaande aspecten:
• temperatuurstijging;
• massaverlies;
• vlamuitbreiding;
• mate van branduitbreiding;
• horizontale vlamuitbreiding;
• totale calorische waarde;
• rookontwikkeling;
• vlamtijden;
• totale hitte-ontwikkeling;
• totale rookproductie;
• productie van brandende druppels / delen.
Testmethoden
De nieuwe Europese classificatie is vastgelegd in EN 13501-1. In het Euro-brandklassensysteem zijn vier brandtesten aangewezen om tot deze classificatie te komen:
• De kleine vlamtest (EN ISO 11925-2): hiermee wordt het begin van een brand gesimuleerd en wordt bepaald of een product gemakkelijk en snel ontbrandt. Meestal is dit de eerst uitgevoerde test en de reactie is bepalend of verdere proeven worden uitgevoerd.
• De SBI-test (Single Burning Item test, EN 13823): een test waar een compleet nieuw apparaat voor wordt gebruikt. Deze test bepaalt onder andere de hitteafgifte, de vlamuitbreiding, de afgifte van gevaarlijke stoffen en de rookontwikkeling.
• De “Calorische bom” (EN ISO 1716): een toestel waarmee de totale calorische waarde wordt bepaald. Dat is de mogelijke maximale verbrandingswaarde van het product ofwel de bijdrage die een product aan een brand kan leveren.
• De onbrandbaarheidsproef EN ISO 1182: een bestaande proef die is aangepast op Europees niveau voor het vaststellen van de onbrandbaarheid van een product.
Niet getest of voldoet niet aan klasse E, valt automatisch in de laagste klasse F.
Room corner test
Als basis van het nieuwe classificatiesysteem worden de resultaten gebruikt van een uitgebreid onderzoek naar het brandgedrag van producten in de Room Corner Test, ISO 9705 (RCT). Er is een aantal scenario’s vastgesteld. Die vormen het uitgangspunt bij het testen van het brandgedrag van bouwproducten in bepaalde situaties. Enkele voorbeelden zijn: het begin van een brand in een kamer, een ontwikkelde brand in een ruimte, en een volledige brand in een ruimte die ook uitbreidt naar andere ruimten.
Bekeken wordt hoe producten reageren op hitte en of ze bijdragen aan een snelle uitbreiding van de brand. Deze methode geeft een reëel beeld van wat er in een kamer gebeurt bij de ontwikkeling van een echte brand. De proef stopt op het moment van flash-over, ofwel vlamoverslag. Hoe eerder het product in de Room Corner Test zorgt voor vlamoverslag, des te sneller draagt dit product tijdens een brand bij aan de branduitbreiding en de vlamoverslag in een ruimte van een gebouw. Onbrandbare producten geven geen aanleiding tot vlamoverslag. Zij dragen dus niet bij aan de branduitbreiding. Ook wordt het totaal aan brandbare componenten in het product bepaald. Zo krijgen bijvoorbeeld beton en steenwol klassering A1.
Producten met een zeer geringe brandbare component, bijvoorbeeld met een afwerking met een folie kunnen vallen in klasse A2, terwijl producten die moeilijk brandbaar zijn in klasse B vallen. De tweede categorie, waarbij wel sprake is van flash-over, valt in klasse C, D, E of F.
Vlamoverslag
Het begrip flash-over krijgt een bepalende rol in het classificatiesysteem. Dit fenomeen doet zich voor als brandbare gassen, afkomstig van producten in de ruimte, zich verzamelen aan het plafond en plotseling ontbranden. De vuurbal die dan ontstaat, heeft zeer hoge temperaturen en is berucht bij brandweerlieden.
De zeven klassen vallen globaal uiteen in twee categorieën van producten, waarbij flash-over een belangrijke rol speelt. De eerste categorie die in klasse A1, A2 of B valt, mag geen flash-over vertonen in de Room Corner Test.
Onbrandbaarheid
Voor de bepaling van de onbrandbaarheid wordt een monster van het product in een oven met een begintemperatuur van 750° C geplaatst. Daarbij mag het verschil tussen begin- en eindtemperatuur niet meer dan 30° C bedragen en er mag niet meer dan 50% gewichtsverlies optreden. Bovendien mag de totale calorische waarde niet groter zijn dan 2,0 MJ/kg. Het product dat hieraan voldoet, is onbrandbaar en wordt A1 geclassificeerd.
Model Beheersbaarheid van brand
Het uitgangspunt is maatwerk op het gebied van brandveiligheid op het complex. Dit betekent wel dat wijzigingen in en aan het gebouw, een positieve of negatieve invloed op de veiligheid kan hebben. Wijziging van gebruik kan andere eisen aan het gebouw tot gevolg hebben waardoor constructies weer moeten worden aangepast.
Het Bouwbesluit stelt dat een brand voldoende beheersbaar is indien het uitbreidingsgebied niet groter is dan 1000 m2. Een gebouw moet dus in brandcompartimenten van maximaal 1000 m2 worden ingedeeld. Veel gebouwen in Nederland passen niet binnen dit kader van het Bouwbesluit. In diverse situaties moeten grotere oppervlakten gerealiseerd worden, zoals bij industrie- of opslaghallen. Daarbij kan een compartimentering logistiek niet wenselijk zijn. Bij een bestaande situatie is het vaak zelfs nagenoeg onmogelijk tot compartimentering over te gaan.
Industriegebouwen worden bij voorkeur ingedeeld in grotere brandcompartimenten. Dit is vaak mogelijk, mits er voor het gebouw een specifiek maatregelenpakket wordt samengesteld. Hierbij zijn beheersbaarheid van brand, de veiligheid voor de mensen in het gebouw en de bescherming van naastgelegen percelen van groot belang. In die situaties kan een gelijkwaardig veilige oplossing worden gerealiseerd volgens het Model Beheersbaarheid van Brand, dat is opgesteld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Toepassing van dit model resulteert in een consistent geheel van maatregelen, afgestemd op het gebruik van het gebouw.
Bij dit model is niet de oppervlakte van een brandcompartiment het beheersbaarheidcriterium maar de totale vuurlast binnen een brandcompartiment. In principe is de grenswaarde daarvoor 300 ton vurenhoutequivalent. Uitgangspunt bij de bepaling van de noodzakelijke maatregelen is de gemiddelde vuurbelasting (vuurlast per oppervlakte-eenheid) conform NEN 6090, die in het compartiment aanwezig is. De maatgevende gemiddelde vuurbelasting is de som van de permanente vuurbelasting (ten gevolge van de bouwconstructie) en de variabele vuurbelasting (ten gevolge van de inrichting), over de minst gunstige 1000 m2. Deze wordt zo mogelijk bepaald door middel van een inventarisatie, of door het hanteren van kengetallen. Uit de maatgevende vuurbelasting wordt de maximale compartimentsgrootte bepaald en de WBDBO-eis aan de compartimentscheidingen. Daarbij kunnen veel hogere waarden worden gevonden voor de WBDBO dan volgens het Bouwbesluit gebruikelijk is. Te meer daar, afhankelijk van de gevellengte en/of de wandgrootte, deze WBDBO-eis nog verhoogd kan worden met 30 of 60 minuten volgens het zogenaamde marge-criterium. Een WBDBO-eis voor een gevel van 240 of zelfs 300 minuten kan het gevolg zijn.
Tevens wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van installatietechnische voorzieningen, zoals een sprinkler- of een brandmeldinstallatie, en de eventuele mogelijkheid voor de brandweer een zogenaamde ‘binnenaanval’ uit te voeren.
Sprinklers stellen hoge eisen
Een sprinklerinstallatie is een goede methode om een brand beheersbaar te houden. In het kader van een beoordeling volgens de methode van het brandveiligheid concept wordt daarom regelmatig voor sprinklers gekozen. Het is echter een misverstand te denken dat een sprinkler een vervanging is voor andere maatregelen. Andersom geldt zelfs dat het toepassen van een sprinkler hoge eisen stelt aan de begrenzing van het brandcompartiment.
Bij toepassing van een sprinkler volgens de geldende richtlijnen wordt een brandscheiding uit onbrandbare materialen verondersteld. Gevel en dak moeten onbrandbaar zijn. Er worden geen certificaten afgegeven of premiekortingen door verzekeraars verstrekt voor een sprinklerinstallatie indien het gebouw zelf niet brandveilig is uitgevoerd met onbrandbare isolatie. Dit geldt ook voor andere brandveiligheid installaties, zoals een brandmeldinstallatie.




