Bouwtrefpunt.nl
home  |  adverteren  |  faq  |  links  |  sitemap  |  contact
  • Menu
    • Home
    • Bedrijvengids
    • Bouwproducten
    • Bouwvacatures
  • Extra
    • Begrippen
    • Hypotheken (tip)
    • Kennisbank
    • Leuke filmpjes
    • Vakbladen
  • Nieuws
    • Nieuwsbrief
    • Nieuwsarchief
    • Persberichten
    • RSS
  • Service
    • Adverteren
    • Contact
    • Favorieten
    • Startpagina
    • Tell-a-friend

Begrippen gemeenten

A

Abiotisch: Behorende tot de niet levende natuur. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bodem, water en weer.
Afkoppelen: Het scheiden van afstromend regenwater van het 'normale' rioolstelsel, met de bedoeling dit regenwater in het plangebied vast te houden ter voorkoming van verdroging of om als huishoudwater te benutten.
Afstromend regenwater: Regenwater dat neervalt op wegen en daken en niet rechtstreeks in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt. In traditionele situaties komt dit water in het rioolstelsel; in het kader van integraal waterbeheer kan gekozen worden om het af te koppelen van het riool.
Ambitie: (binnen het referentiekader) De bestuurlijke/politieke ambitie om bepaalde milieudoelen na te streven.
Auto-arm: Woongebied waar buiten de woonstraten geparkeerd wordt; de woonstraten zijn toegankelijk voor laden en lossen.
Autoluw: (binnen het referentiekader) Woonerf of 30 km/u-zone.
Autovrij: (binnen het referentiekader) Woongebied dat niet toegankelijk is voor auto's, ook niet voor laden en lossen; centrumgebied dat alleen voor leveranciers toegankelijk is voor laden en lossen.


B

Belevingswaarde: Waardering, toegekend aan de (openbare) ruimte, over de effecten die die ruimte op mensen heeft.
Bergingscapaciteit: De hoeveelheid afstromend regenwater die een voorziening of gebied maximaal kan bevatten zonder dat wateroverlast ontstaat.
Bergbezinkvoorziening: Kelder voor tijdelijke berging van regenwater, bedoeld om riooloverstorten van gemengde rioolstelsels te verminderen en minder vervuilend te maken. Overstortend water staat een tijdje stil in de kelder, waardoor vervuild slib kan bezinken en alsnog naar de afvalwaterzuiveringinstallatie kan stromen.
Betreding: De mate waarin een gebied gebruikt of betreden wordt door mensen. Een natuurgebied heeft een lage betreding of gebruiksintensiteit, een marktplein een hoge.
Biodiversiteit: De hoeveelheid verschillende planten- en diersoorten die in een gebied voorkomen. Ook aangeduid als soorten rijkdom.
Biogas: Gas gewonnen uit compostering van organisch afval, te benutten voor energieopwekking.
Bodemgebruikswaarde (BGW): Bij immobiele verontreiniging worden vier functies onderscheiden: wonen, extensief groen (groen waarmee geen intensief contact wordt gemaakt zoals wegbermen en plantenbakken in kantoortuinen), verharding (stoeptegels, asfalt, etc.). Hierbij is geen contact met de bodem mogelijk) en landbouw en natuur. Voor de eerste twee functies gelden landelijke bodemgebruikswaarden (BGW). Deze waarden geven aan wat de kwaliteit van de bodem na sanering moet zijn. De BGW's staan in het rapport 'Van trechter naar Zeef'. De BGW's staan ook in de 'Regeling locatiespecifieke omstandigheden'. Voor de derde functie (verharding) gelden geen waarden. Voor de vierde functie (landbouw en natuur) zijn generieke BGW's in ontwikkeling.
Bovenlokale milieukwaliteit: Dit gaat het om de uitputting van voorraden energie, water en grondstoffen en problemen als klimaatverandering en verzuring door de uitstoot van stoffen.
Buffergebieden: Gebied waarin het peilbeheer en zonodig het waterkwaliteitsbeheer is afgestemd op het voorkomen van verdroging in een ecologisch kerngebied.


C

Cascade: Door hergebruik van water binnen de woning of binnen een plangebied ontstaat een cascade: bijvoorbeeld waswater benutten voor toiletspoeling. Het idee achter de cascade is dat niet elk watergebruik om dezelfde waterkwaliteit vraagt.
Cerviduct: Voorziening om grote barrières over te steken, bedoeld voor grotere diersoorten.
Compact bouwen: Bouwwijze waarbij de verhouding tussen verliesoppervlak en vloeroppervlak (het totaal van alle verdiepingen) zo gunstig mogelijk is. Hoe kleiner het verliesoppervlak, hoe kleiner het energieverlies door (warmte) transmissie.
Complete stad: Uitbreiding of nuancering van het concept 'compacte stad', waarbij ook de hoeveelheid en kwaliteit van de groene ruimte worden betrokken.
Cyclisch: Methode van planontwikkeling waarbij de uitkomsten (van onderdelen) regelmatig worden vergeleken met de uitgangspunten met de bedoeling hetzij de uitgangspunten beargumenteerd bij te kunnen stellen, hetzij naar een ander uitkomst te streven.


D

Dichtheid: Het aantal gebouwen per hectare. Meestal wordt een onderscheid gemaakt in bruto- en nettodichtheid, waarbij al dan niet bovenwijkse infrastructuur en voorzieningen worden meegenomen.
Differentiatie: Het aanbrengen of in stand houden van ruimtelijke en ecologische verschillen, door variatie van stedelijke gebiedstypen of door gebruik te maken van in het gebied aanwezige natuurlijke en antropogene verschillen.
Doelsoort: Ook wel indicatorsoort genoemd. Wordt gebruikt om de omvang, inrichting en beheer van een ecologische verbinding vast te stellen.
Doorlatende verharding: Verharding waar regenwater zo goed als onbelemmerd doorheen kan wegstromen in de bodem.
Doorsnijding: Infrastructuur verbindt gebieden (in langsrichting), maar doorsnijdt andere gebieden (in dwarsrichting). Meestal leidt dit tot versnippering van gebieden. Dit is vooral voor natuur een probleem, maar ook woongebieden kunnen in verband met veiligheid en sociale cohesie te lijden hebben van doorsnijding door zware infrastructuur.

E

Ecologisch kerngebied: Gebied waarin hoge natuurwaarden voorkomen en een zeer belangrijke rol speelt in de ecologische structuur op hogere schaal. Deze gebieden hebben meestal een flinke omvang.
Ecologische kwaliteit: De mate waarin de kansen voor natuur in een gebied tot ontplooiing zijn gekomen. De kansen worden bepaald door abiotische voorwaarden (bodem, water, lucht) ter plaatse, door de plaats in de ecologische structuur en door de omvang van het gebied.
Ecologische structuur: Netwerk van ecologische kerngebieden en ecologische verbindingen. De gedachte achter de ecologische structuur is dat natuurwaarden niet alleen van de abiotische omstandigheden afhangen maar ook van de omvang van gebieden. Hoe groter een natuurgebied, hoe meer kans dat er levensvatbare populaties van verschillende diersoorten in passen, hoe groter de natuurwaarden. Omdat de natuur in Nederland versnipperd is en uit vele kleine gebieden bestaat (en maar enkele grote), is het concept van de ecologische structuur bedacht: de ecologische verbindingen maken de kerngebieden kunstmatig groter door ervoor te zorgen dat populaties tussen verschillende kerngebieden kunnen uitwisselen.
Ecologische verbinding: Een ecologische verbinding is een natuurlijk ingerichte zone die twee ecologische kerngebieden verbindt. De omvang, inrichting en het beheer moeten de biotoop benaderen van de doel- of indicatorsoort, die van de zone gebruikt maakt. Stapstenen en corridors kunnen onderdeel uitmaken van een ecologische verbinding.
Energie Index (EI): maat voor de energiezuinigheid van bestaande woningen (analoog aan de EPC). Een EI van 0,5 komt ongeveer overeen met een EPC van 1,0.
Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) : coëfficiënt die de energieprestatie van een nieuwbouw woning of utiliteitsgebouw aangeeft. Deze wordt berekend op basis van de gebouweigenschappen, de gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewonersgedrag. In de Energie Prestatie Normen staat aangegeven hoe u de EPC van een woning of een utiliteitsgebouw kunt berekenen.
Energie Prestatie Norm (EPN): De energieprestatienorm beschrijft hoe de energie-efficiëntie van een nieuw gebouw of een nieuwe woning in één getal kan worden uitgedrukt. Er is een EPN voor woningen en een EPN voor kantoren en andere utiliteitsgebouwen. De energie-efficiëntie wordt uitgedrukt in de EPC.
Energie Prestatie op Locatie (EPL): De energiekwaliteit van een locatie wordt uitgedrukt in de EPL en heeft betrekking op het toekomstig energiegebruik voor alle energiefuncties: verwarming en koeling, verlichting en apparatuur. In aanvulling op de EPC, die de energiekwaliteit van één gebouw weergeeft, honoreert de EPL ook maatregelen buiten het gebouw. De EPL geeft in één getal de energiekwaliteit aan. Het getal geeft aan in hoeverre gebruik wordt gemaakt van energie uit fossiele brandstoffen, en de CO2 -emissie die daarbij optreedt. Treedt geen CO2 -emissie op, dan is de EPL-waarde 10 de maximaal haalbare waarde.
Energiescan: een quick scan naar kansrijke opties voor energiebesparing en/of inzet van duurzame energie voor woningbouwprojecten tussen 50 en 250 woningen.
Energievisie: een energievisie schetst een totaalbeeld van de haalbaarheid van energieambities bij woningbouwprojecten tussen de 250 en 500 woningen.


F

Faunapassage: Kunstwerk, bedoeld om dieren veilig infrastructuur te laten kruisen. Kan variëren van een rioolbuis onder een weg tot een cerviduct.
Fietsroutevorming: Combinatie van maatregelen gericht op het logisch, veilig, comfortabel en aantrekkelijk maken van verbindingen ten behoeve van het stimuleren van het gebruik van de fiets.
Flexibiliteit: De mate waarin een gebied of gebouw verandering in het gebruik kan opvangen zonder dat (grote) fysieke veranderingen nodig zijn.
Floatlands: Drijvende eilandjes met semi-natuurlijke begroeiing, bedoeld om een natuurvriendelijke oever te realiseren in een water met een harde of steile oever zoals een gracht.
Floorspace index (FSI): Het aantal vierkante meters vloeroppervlak (som van alle verdiepingen) per hectare.
Functie: De functie van een gebied of gebouw is een aanduiding voor de gebruiksmogelijkheid, waar het voor is ingericht. Een gebied of gebouw kan meer functies hebben. Een gebied of gebouw met een bepaalde functie kan meer gebruiksmogelijkheden hebben, ook mogelijkheden die niet direct tot de functie behoren. De functie van een 'winkelstraat' is commercieel, maar de winkelstraat kan ook dienen als flaneergebied, als ontmoetingsplek. Hoe meer bedoelde en onbedoelde gebruiksmogelijkheden een gebouw of gebied heeft hoe flexibeler het is.
Functiemenging: De mate waarin in een gebied verschillende functies voorkomen. Afhankelijk van de schaal waarop het beschouwd wordt, zijn functies gescheiden of gemengd.

G

Gasgestookte wasdroger: een wasdroger gestookt op aardgas, waardoor een energiebesparing van 40% ten opzichte van een elektrische wasdroger haalbaar is.
Gebiedseigenwater: Regenwater dat in een gebied valt en kwelwater dat in een gebied opwelt. Dus niet persé oppervlaktewater en niet alle grondwater. Dit kan zijn ingelaten van elders, respectievelijk geïnfiltreerd.
Gebiedstypen: Schematische beschrijving van de leefomgeving. Binnen het referentiekader dienen ze onder andere als referentiemodel om de toepasbaarheid van duurzaamheidsmaatregelen te bepalen.
Gebruikswaarde: Waardering, toegekend aan de (openbare) ruimte, over het nut van die ruimte voor mensen (zie ook belevingswaarde)
Groene hoogdynamische zone: Gebied waarin groene functies (volkstuinen, openbare sportvoorzieningen, avonturenlandjes) zo flexibel mogelijk worden ingepast, waarbij bovendien een redelijk tempo van veranderingen acceptabel is. Voorop staat het intensief gebruik van de functies.
Groenstructuur: Alle groene ruimten en groenvoorzieningen in een stedelijk gebied.
Grondgebruik: De verhouding tussen privé- en openbaar gebied en tussen verhard, bebouw en onverhard gebied. Grondgebruik is één van de variabelen die de gebiedstypen uit het NPDS beschrijven.

H

Halfverharding: Wegverharding met puin, schelpen en dergelijke.
Handelingsperspectief: De wijze waarop duurzaamheidsdoelen gerealiseerd kunnen worden. De verhouding tussen privé- en openbaar gebied bepaalt voor een belangrijk deel het handelingsperspectief: In hoeverre is men van grondeigenaren afhankelijk om een duurzaamheidsdoel te halen.
Herstructurering: Het herinrichten van bestaand stedelijk gebied. Hierbij kan de functie veranderen, maar ook de planstructuur en het stedelijk gebied.
Hotfill-systemen: apparaat dat de wasmachine voorziet van warm water (uit de zonneboiler)

I

Infiltratie: (binnen het referentiekader) Het in de bodem laten wegzakken van regenwater met onder ander de bedoeling verdroging te voorkomen of te verminderen.
Inlaat: het in een gebied laten instromen van (boezem)water bij tekorten.
Integraal waterbeheer: Het beheer van waterkwaliteit in samenhang met waterkwantiteit in een watersysteem. En het op elkaar afstemmen van ruimtelijke functies op dit watersysteem inclusief de manier waarop het beheerd wordt.
Intermediar gebied: Gebied waar zowel kwel als wegzijging voorkomt, afhankelijk van seizoen en regenhoeveelheid.
Inzijggebied: Gebied waar door hoogteligging en bodemgesteldheid water wegzijgt naar het grondwater.

J

Jaarlijks neerslagoverschot: Regenhoeveelheid die gemiddeld in een jaar de bergingscapaciteit van een gebied overschrijdt.

K

Kavelpatroon: Fijnmazig patroon dat kenmerkend is voor de ontginningswijze in een gebied. Bijvoorbeeld lange, smalle, rechte door sloten gescheiden kavels in een veengebied, of vierkante met heggen omzoomde kavels in een esdorpenlandschap.
Ketenmobiliteit: Vervoersconcept waarbij verplaatsingsgedrag geoptimaliseerd wordt naar reistijd, kosten en andere factoren en waarbij één verplaatsing met verschillende vervoerwijzen naadloos op elkaar aansluiten en een zo hoog mogelijke kwaliteit hebben.
Kwelgebied: Gebied waar grondwater opwelt naar het oppervlaktewater.

L

Leefbaarheid: (binnen het referentiekader) De factoren die de gebruikswaarde en belevingswaarde in een gebied beïnvloeden. Dit kunnen milieufactoren zijn zoals geluidhinder, maar ook inrichtingsaspecten zoals kwaliteit van de openbare ruimte.
Leefgebied: Gebied waarin de (a)biotische omstandigheden en de omvang geschikt zijn voor een bepaalde diersoort.
Leeflaag: Laag grond, opgebracht op een gebied waarin niet-mobiele bodemverontreiniging voorkomt, teneinde contact tussen de gebruikers en de verontreiniging te voorkomen.
Levensloopbestendigheid: De mate waarin een plangebied of gebouw veranderingen in het gebruik kan opvangen, waarbij specifiek bedoeld wordt: veranderingen als gevolg van een veranderende leeftijdsopbouw van de bewoners.
Lichte stedebouw: Ruimtelijk concept, waarbij het accent ligt op tijdelijke bebouwing.
Lokale milieukwaliteit: Hierbij gaat het om de kwaliteit van bodem, water en lucht. Hinder, stank en gevaar. Leefbaarheid en gezondheid.

M

Maaiveld: De hoogteligging van verharde en onverharde grond ten opzichte van NAP.
Maatregelen: (binnen het referentiekader) Handelswijzen, processen en bouwwerken die erop gericht zijn een bepaald duurzaamheidsdoel of milieudoel te halen.
Meervoudig ruimtegebruik: het meermalen benutten van ruimte door ondergronds bouwen, hoger bouwen en volgtijdelijk gebruik van dezelfde ruimte voor verschillende functies.
Milieuhinder: Overlast (of gevaar) in een gebied door industriële activiteiten en verkeer. Geluid, stank, stof, explosiegevaar, gevaar voor het vrijkomen van schadelijke stoffen.
Milieukwaliteit: Eén van de factoren die duurzame stedebouw bepalen. Bestaande uit bovenlokale milieukwaliteit, lokale milieukwaliteit en natuurkwaliteit.
Molgoten: Verzamelgoot in het wegdek voor regenwater.

N

Natuurkwaliteit: Dit bestaat uit de biodiversiteit en de ecologische kwaliteit van een gebied.
Natuurwaarden: Natuurwaarden kunnen geformuleerd worden in termen van soortenrijkdom, zeldzaamheid, zelfregulatie van de natuur, oorspronkelijkheid van de processen, duurzaamheid of schoonheid. De opvattingen over wat waardevol is aan natuur en landschap zijn maatschappelijk bepaald: ze verschillen per periode en per maatschappelijke groepering.

O

Occupatiepatronen: Voor een gebied kenmerkend patroon van verstedelijking, nauw gerelateerd aan de ontginningsgeschiedenis en aan het kavelpatroon. Bijvoorbeeld lintdorpen, esdorpen.
Optimale energie-infrastructuur (OEI): Dat is die energievoorziening die gegeven de lokale omstandigheden, de visie van belanghebbenden en wensen ten aanzien van het stedenbouwkundig plan haalbaar is en daarbij zo duurzaam mogelijk.
Onderlegger: Dat wat in het plangebied wordt aangetroffen bij aanvang van de planvorming. Hiermee wordt de reeds aanwezige abiotische en biotische factoren bedoeld.
Ontwateringsdiepte: De hoogst mogelijke grondwaterstand in een gebied.
Open planproces: Planvorming waarbij vanaf het eerste stadium ontwerpers, deskundigen, gebruikers, beheerders en belangengroepen als gelijkwaardige partners betrokken zijn.

P

PAK: Poly-Aromatische Koolwaterstof, chemische verbinding die zeer schadelijk is voor het milieu.
Parkeernorm: Getal dat de verhouding tussen het aantal woningen of arbeidsplaatsen en het aantal parkeerplaatsen uitdrukt. Bijvoorbeeld: de parkeernorm in een gebied is 1,25 parkeerplaatsen per woning.
Partieel ophogen: Methode van bouwrijp maken waarbij alleen die delen van het plangebied worden opgehoogd, waar daadwerkelijk gebouwen of infrastructuur terecht komen. Deze methode maakt het mogelijk de oorspronkelijke groenstructuur van een gebied te sparen.
Passieve zonne-energie: Ruimteverwarming door zoninval.
Peilbeheer: Beheer gericht op het reguleren van het grondwaterpeil in een gebied.
Piekberging: Extra bergingscapaciteit in vooral oppervlaktewater bedoeld om langdurige regenval in een gebied te kunnen opvangen.
Proceskwaliteit: Eén van de factoren die duurzame stedebouw bepalen. Deze wordt onder andere bepaald door de aard en stapsgewijze opzet van het planproces, de deelnemers daaraan en de rollen die zij in het planproces vervullen en de methoden die gebruikt worden in het planproces.
Programma: De beschrijving van alle elementen die in een plangebied gerealiseerd moeten worden. Een programma kan in het begin abstract zijn, maar wordt gedurende het planproces concreter.


R

Regelbare afvoerconstructie: Voorziening om het tempo waarin een voorziening voor waterberging leegstroomt, te regelen.
Restwarmtebenutting: Het benutten van overtollige warmte uit bijvoorbeeld industriële processen voor ruimteverwarming.
Retentie: Het vasthouden van water in een gebied met het doel verdroging en piekafvoeren tegen te gaan.
Ruimtelijke kwaliteit: Eén van de factoren die duurzame stedebouw bepalen. Deze kwaliteit gaat over de specifieke kwaliteiten van de gebouwde en geplande omgeving. Omdat duurzaamheid is verbonden met tijd, nemen begrippen als transformaties en flexibiliteit in dit referentiekader een belangrijke plaats in in relatie tot ruimtelijke kwaliteit.
Ruimtelijke veranderingen: Veranderingen in het gebruik, de functie of verschijningsvorm van de stedelijke ruimte.

S

Sedimentatieveld: Voorziening om klein zwerfvuil en slib uit afstromend regenwater te verwijderen.
Sedumdak: Vegetatiedak met vetplanten.
Seizoensberging: Extra bergingscapaciteit in een plangebied bedoeld om overschotten die in de winter vallen vast te houden om tekorten in de zomer aan te vullen.
Slibvang: Voorziening om klein zwerfvuil en slib uit afstromend regenwater te verwijderen.
Smart drain: Voorziening om regenwater en vuilwater te scheiden.
Stapsteen: Relatief klein gebied met natuurwaarden dat een functie heeft in de ecologische structuur van een groter gebied.
Stedelijke hoogdynamische zone: Intensief gebruikt gebied waar ook het tempo van ruimtelijke veranderingen hoog kan zijn.
Stroomgebied(benadering): Het geheel van oppervlakte- en grondwaterstromen dat vanuit een oogpunt van integraal waterbeheer het beste als eenheid bezien kan worden. Ook wel watersysteembenadering genoemd.
Symbiose-effecten: Verhoogde gebruikswaarde als gevolg van hoge gebruiksintensiteit en vergaande functiemenging. Bijvoorbeeld horeca die van de nabijheid van een bioscoop profiteert en visa versa.

T

Tijdelijke berging: Maatregelen bedoeld om de afvoer van oppervlakkig afstromend regenwater te vertragen.
Transformatie: Het overgaan van het ene gebiedstype in het andere door verdichting, verdunning en/of functiemenging.
Transmissieverliezen: Energieverlies door warmte-overdracht van binnen naar buiten een gebouw of verliezen die optreden gedurende het transport van energie.
Tweede maaiveld: Bouwwijze waarbij de verdieping ook toegankelijk is als ware het een straat. Met name gaat het hier om toegankelijkheid voor (vracht)auto's op bedrijventerreinen. Maar ook winkelcentra of tuinen boven parkeervoorzieningen of infrastructuur is een mogelijkheid.
Tweede waterleidingnet: Waterleiding voor de levering van huishoudwater voor wassen en toiletspoeling en dergelijke, die bestaat naast het drinkwaterleidingnet.

U

Uitslag: Het uit een gebied wegpompen of weg laten stromen van overtollig water.

V

Vegetatiedak: Dakconstructie waarop gras of vetplanten (sedumdak) groeien met het oog op het vasthouden van regenwater, op energetische en esthetische doelen.
Verdichting en verdunning: Het toevoegen of verwijderen van bebouwing in een gebied.
Verliesoppervlak: Het buitenoppervlak van een gebouw waardoor energieverlies optreedt.
Verplaatsingstijdfactor: De reistijdverhouding tussen auto en ov voor een bepaalde verplaatsing.
Voorraadbeheer: Vorm van peilbeheer waarbij het waterpeilbebeer in een gebied wordt afgestemd op het opvangen van pieken in de winter, mede met het oog op het opvangen van tekorten in de zomer.

W

Wadi: Voorziening voor infiltratie van regenwater. Het is een het grootste deel van het jaar droog staande greppel waarvan de bodem is voorzien van goed doorlatend materiaal.
Warmtelevering: Vorm van gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit.
Waterkwaliteit: De chemische en microbiologische samenstelling van grond- en oppervlaktewater die een belangrijke factor is voor de ecologische kwaliteit in een gebied en voor de mogelijkheid van drinkwaterwinning in een gebied, wordt beïnvloed door natuurlijke en antropogene factoren.
Watersysteembenadering: zie stroomgebiedbenadering.
Werveloverstortput: Voorziening om bezinkbaar afval uit rioolwater te vangen.

Z

Zandvang: Voorziening om zand uit afstromend regenwater op te vangen.
Zware metalen: De natuurkundige elementen uit de reeks "zware metalen". In milieutechnische zin worden meestal de volgende elementen bedoeld: Cadmium (Cd), kwik (Hg), koper (Cu), lood (Pb), zink (Zn), chroom (Cr) en nikkel (Ni)

Advertentie


Buzz Bouwbuzz
Bouwbuzz is de plek voor informatie over kalkzandsteen. Filmpjes, foto's, interviews, tips.
E-nergie.nl E-nergie.nl
Vergelijk alle energie leveranciers en bespaar honderden euro's door gratis over te stappen.
Hypotheken vergelijken Bizzeker.nl
Bizzeker.nl verstrekt informatie op het gebied van hypotheken, lenen, verzekeren, sparen, pensioen en beleggen.
Wilt u ook hierboven staan?

Bouwnieuws

- Nu een half jaar gratis stroom!
- Aantal faillissementen in de bouw blijft hoog
- Deeltijd-WW opnieuw verlengd, nu tot 1 juli 2...
- Afgelopen jaar flink meer woningen gebouwd
- Bouw & Installatie: Omzetverlies door vo...
- BouwGarant-aannemer scoort goed bij opdrachtg...
- Subsidie op zonnepanelen blijft zeer populair
- Val van Kabinet is slecht voor de bouwsector
- Vakbonden luiden noodklok over bouwsector
- Rechter: Bouwbedrijf niet zonder timmerman
rss

Poll

Ik zie het jaar 2010 vol vertrouwen tegemoet.

Zeer mee eens
Mee eens
Neutraal
Mee oneens
Zeer mee oneens

Nieuwsbrief

Wilt u onze gratis nieuwsbrief ontvangen?
Nieuwsbrief Vul hier uw e-mail adres in:


Laatst toegevoegde bedrijven

De Interieurstudio
TimmermanVacature.nl
GawaloVacature.nl
LaserNed.nl
Baksteencentrum Limburg BV

Bedrijf van de week

Milter montage bv
Categorie: Klusbedrijven
Paulus van hemert straat 19, 1064 LJ
Amsterdam (Noord-Holland)

Partners

BouwVacatures op BouwPlanet

Copyright RealLogic © 2003-2008 | Alle rechten voorbehouden | rss
Bouwtrefpunt.nl